U bevindt zich hier: Home » Schouderklachten » Anatomie – Schouder

Het gewricht
Het schoudergewricht zelf bestaat uit een kop (caput humeri) en een kom (glenoid). Omdat de kom kleiner is dan de kop wordt deze verbreedt met een kraakbeenring (labrum). De kop en de kom worden bijeengehouden door kapsel en banden (ligamenten). Deze banden zitten vrij los om het gewricht heen en zorgen in een uiterste geval voor dat de arm niet uit de kom gaat. De kop en de kom zijn bekleed met kraakbeen. Hiertussen bevindt zich een laagje gewrichtsvocht om het gewicht soepel te laten bewegen.
Om het gewricht zitten 4 spieren en deze fungeren als een korset (of manchet). Deze spieren worden de rotator-cuff spieren genoemd. De rotator-cuff bestaat uit de M.supraspinatus, M.infraspinatus, M.teres minor en M.subscapularis. Deze spieren horen sterk te zijn zodat ze de schouderbewegingen goed kunnen begeleiden en coördineren.
De kom is een onderdeel van het schouderblad (scapula). Het schouderblad fungeert als een soort hefboom. Het schouderblad wordt ook weer bestuurd door een aantal spieren.
Aan de bovenkant van het schoudergewricht zit een botstuk (Acromion) en een stevige band (lig.coracoacromiale). Dit wordt ook wel het schouderdak genoemd. Hier onderdoor lopen een aantal pezen en een slijmbeurs (bursa).

De Functie
De schouder kan vooruit en zijwaarts een bewegingsuitslag van 180° maken. Voor deze beweging is niet alleen het schoudergewricht verantwoordelijk. De eerst 90° komt uit het schoudergewricht de volgende mede uit de schoudergordel (gewrichten tussen schouderblad, borstbeen, sleutelbeen en wervelkolom).
Voor de juiste coördinatie van de bewegingen en stabilisatie van schouder zijn de manchetspieren (rotator- cuff) en schouderbladspieren verantwoordelijk. Het is dus van belang dat er aan deze spieren in de revalidatie aandacht wordt besteed.